Een meditatie in de maand van Gedenken

Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen.

Openbaring 21:4a

Die hier bedrukt met tranen zaait, zal juichen, als hij vruchten maait.” Zo stond het op een plaquette bij de ingang van de reformatorische middelbare school waar ik de eerste drie jaar van het VWO heb gedaan. Je kunt je afvragen waarom men juist deze woorden daar ophing. Wilde men de ‘jongelui’ ermee op het hart drukken dat het leven meer is dan ‘lang leve de lol’? En dacht men werkelijk dat zo’n tekst daarbij zou helpen? Of dacht degene die deze woorden uitkoos bij het zaaien aan lesgeven? Maar wat is er dan gebeurd dat hij of zij dat lesgeven als zo’n bepaald vreugdeloze taak zag? Ik kan mij overigens levendig voorstellen dat lesgeven op een school vol pubers inderdaad niet altijd een onverdeeld genoegen is. Ik heb veel respect voor hen die dat doen. Maar om het dan in gouden letters in graniet een zaaien in tranen te noemen …

Hoe het ook zij, de woorden bij de ingang van mijn middelbare school zijn natuurlijk een citaat uit de oude berijming van Psalm 126. In die Psalm worden Gods grote daden herdacht en dan met name de terugkeer van het volk Israël uit de ballingschap. Maar voor de dichter is die bevrijding lang geleden en zij/hij vraagt zich af waar God op dat moment is. En dan volgen die woorden over zaaien in tranen en oogsten met gejuich. De dichter spreekt daarmee het vertrouwen uit dat het verdriet wat hij/zij op dat moment ervaart eenmaal zal veranderen in blijdschap. Eenmaal zal God alles goed maken. Eenmaal zal God ons opnieuw thuisbrengen.

Of je zo’n diepe gedachte bij de ingang van een school moet hangen, ik weet het niet. Ik weet wel dat de tekst op de plaquette aan ons niet besteed was. Toen niet. Inmiddels is de puber van toen iemand die weet dat het leven heel wat tranen met zich meebrengt. Eigen tranen om eigen verdriet en de tranen die ik bij anderen zie, in de gemeente en daarbuiten. Het leven ís een zaaien in tranen.

Ook al weten we dat ieder huisje z’n kruisje heeft en dat het niet allemaal rozengeur en maneschijn is, het is best moeilijk om die kwetsbaarheid en raakbaarheid te delen. We hebben de tijd ook niet mee. De norm is succes. We delen onze successen online, we praten graag over wat er goed ging, we vertellen over onze prestaties, reclames beloven ons een voorspoedig bestaan. In de kerk doen we er net zo goed aan mee. We delen onze successen in een app, de Protestantse Kerk stuurt ons magazines met geslaagde missionaire activiteiten en inspirerende initiatieven en ook in de kolommen van dit blad zult u vooral veel positiviteit aantreffen.

Het lijkt mij geen goede zaak om van de weeromstuit negatief te gaan lopen doen. (Al lijkt het mij wel verfrissend als er eens een Petrus Magazine of #Protestant op de mat valt met enkel mislukkingen en miskleunen.) Waar het op aankomt, is ruimte voor Bijbels realisme. Dat is het realisme van de tranen. Het is soms om te janken. In de kerk, in ons leven, in de wereld. Die tranen zijn er, mogen er zijn, moeten er zijn.

Dat de Bijbel in haar een-na-laatste hoofdstuk ervan getuigt dat God alle tranen uit onze ogen zal wissen, is in de eerste plaats de erkenning dat onze tranen reëel zijn. Ons verdriet om onszelf, om de kerk, om de wereld; ons verdriet om het niet begrepen worden, het niet gezien worden, het niet gehoord worden; ons verdriet om wie er niet meer zijn, om de leegte en de kou en de stilte nu die ene ons is ontvallen; dat verdriet laat de Bijbel helemaal staan. Dat God zelf eraan te pas moet komen om die tranen af te wissen, is zo veelzeggend.

Maar God zal die tranen dan ook afwissen. In het Grieks staat er in Openbaring 21:4a heel nadrukkelijk: “Hij zal álle tranen hélemaal afwissen”. Gods troost is niet zuinig. Eens maakt Hij alles goed. Eens brengt Hij ons thuis. Hij veegt uw en mijn tranen uit ons gezicht. Wat zullen we ons opgelucht voelen! Met dat vooruitzicht krijgen wij oog en oor voor elkaars verdriet, kunnen wij elkaars tranen zien, zien wij ook de pijn onder ogen die we elkaar doen. Laten we er voor elkaar zijn. Dan zal nu al iets van een lach door onze tranen breken.