Blog: Hoe zal ik U ontvangen

Uit het kerkblad van 2 dec Een collega van me die in de gevangenis werkte, vertelde me jaren geleden een verhaal dat me vaak in de Adventstijd weer in de herinnering schiet. Het was een verhaal van een justitie-collega die een groep gevangenen verwachtte voor een groepsgesprek. Tevoren probeerde hij het kale zaaltje wat aan te kleden. Een kaars, een rood kleed, een paar witte bloemen, een Bijbel. De kaars was eerder gebruikt, het lontje was verdronken in het gestolde kaarsvet. Het lukte niet erg om het aan te steken. In een gevangenis liggen geen mesjes voor het oprapen, dus hij probeerde met een plastic koffielepeltje de was weg te schrapen om het lontje vrij te krijgen. Terwijl hij zo aan het prutsen was kwam één van de gevangenen binnen. `Wat bent u nu aan het doen? O! kijk, de dominee is het licht aan het oplepelen!’

Licht oplepelen

De dominee is het licht aan het oplepelen. Met dat beeld in zijn hoofd is hij het gesprek met zijn mensen ingegaan en vroeg waar zij spoortjes van licht herkend hadden in hun levens. En met dat beeld in mijn hoofd liep ik weer in de Adventstijd in het Hofpoort. Licht oplepelen. Het klinkt een beetje raar, maar als eenmaal zo’n beeld met je meereist gaat het iets met je doen. En toen ging het er steeds over: mensen vertelden over hun verlangen naar een streepje licht, naar hoop in de donkerte, naar een woord van vrede. Alsof de Adventstijd daar de poriën voor openzet. Het is daarom dat ik vond dat ik de mooiste baan van het ziekenhuis had: mensen deelden met mij niet alleen hun verlangen naar hoop, maar vaak bleken ze ook verhalen bij zich te hebben van hoe het licht werd in hun donkere nachten.

Ik was gevraagd een nog niet zo oude mevrouw te bezoeken. Het was een slag bij heldere hemel toen ze de dokter had horen zeggen dat ze zeer ernstig ziek was. Haar man stierf onverwacht, een jaar eerder. Van huis gegaan -`dag lieve schat, tot zo.’ Hij was graag onderweg, zei ze. Een half uur later had de politie aan de deur gestaan. Een ongeluk, ze dachten dat hij er nauwelijks meer iets van gemerkt moest hebben.

“Voor ik ziek werd kon ik wel bidden,” zei ze, ‘maar het gaat helemaal niet meer.” “Voor u ziek werd kon u wel bidden”, zei ik. “hoe kwam het dat het toen anders was?” ‘Ik denk dat ik me gewoon te alleen voel, alsof alles me zwaarder valt. Ik merk niet zoveel van God.’ Ze keek het raam uit. Ik ook, we waren een poosje stil.  De zon was winterrood boven de grote Bonaventurakerk in de stad.

‘U merkt niet zoveel van God. Hebt u wel eens iets gemerkt van God?” Ze schudde het hoofd. Ik hield aan. “Veel mensen hebben wel eens in hun leven een spoor van Gods licht gezien.” We keken naar de zon die achter de kerk verdween, de kerk in silhouet tegen een rode bal. Toen zei ze, een beetje beschroomd: “De nacht voor mijn Piet begraven zou worden. Het was zo erg, hij stond in de kamer opgebaard, een van mijn dochters sliep ook in huis, en ik sliep in ons veel te grote bed boven. Ik had geslapen en werd wakker van een groot licht. Ik heb het nooit iemand verteld, want mensen vinden het zo gauw zo raar, ik ben niet raar. Maar ik werd wakker van een groot licht, het kwam niet ergens vandaan, het was er, de hele kamer baadde in het licht, lichter dan daglicht, mooi en vriendelijk licht was het. Ik schrok er eerst vreselijk van, ik begreep het niet. Toen dacht ik: dat stuurt Piet misschien, om me te troosten. Ik werd er opgewonden en blij van. Maar ik weet niet goed of dat wel kan, of Piet zoiets wel kan.”

‘Wat een bijzonder verhaal! U had geslapen, en u werd wakker van een groot licht, dat vriendelijk en veilig was.” Ze knikte. “Ik moet er vaak aan denken.”

‘Het klinkt net zoals het kerstverhaal” zei ik. “Daar wordt ook verteld dat herders lagen te slapen en ineens wakker werden van een groot licht, dat de hemel leegstroomde van licht. Er wordt verteld dat ze ontzettend schrokken, en dat het eerste dat tegen hen gezegd werd: je hoeft niet bang te zijn, want dit licht komt bij God vandaan, en we hebben zo’n goede boodschap voor jullie.”

Ze keek zwijgend het raam uit, de zon was nog maar een klein streepje, het werd snel donker. “Dat had ik zo nog niet bedacht”, zei ze. “Dan kwam dat licht dus niet van Piet, maar van God.”

We waren weer even stil

“Zou het zo kunnen zijn,” zei ik “dat het grote licht in uw kamer op een moment dat u dat zo nodig had, een teken daarvan was dat u gezegd werd, net als zoveel eeuwen geleden, dat u niet bang hoeft te zijn, dat God er ook nog is.” “Zo komt het kerstverhaal wel dichtbij,” zei ze.

Zo lepelde ik die Adventsweken verhalen van licht op. Alsof de lucht er al vol van was. Verhalen van licht. Verhalen van Verlangen en Hoop dat er te midden van alles nog een andere werkelijkheid waar zou zijn. Toch en toch.

Margriet van der Kooi, hart- en zielzorg Daan Theeuwes Centrum in Woerden

One comment

Comments are closed.