Blog: Stenen voor brood

De man in het bed bij het raam had om mijn bezoek gevraagd. 75, schatte ik, en zo te zien had hij veel ingeleverd. Hij ademde zwaar en zijn pyjama leek me drie maten te groot, maar zijn ogen lichtten op toen hij begreep dat ik bezoek was. In het grote ziekenhuis waar ik tegenwoordig werk komen patiënten uit het hele land. bezoek is vaak heel welkom. Ik hield het gesprek kort, ik beloofde dat ik zo vaak ik in het ziekenhuis was hem zou bezoeken en goed zou opletten hoeveel adem hij had. Dat leek ons beiden een goede afspraak.

Een D-woord

Toen ik hem twee dagen later bezocht zei hij dat hij enig antecedenten-onderzoek gedaan had; zijn zus, die preekregelaarster was, een wonderlijk woord voor dat vak, alsof het alleen om de preek zou gaan, bleek me weleens geregeld te hebben. Maar hij wist nog meer, en dat tot zijn schrik: mijn man was dog-ma-ti-cus. Aan de VU. Hij sprak het woord met absoluut afgrijzen uit. Een D-woord dus.

“Vertel maar, u hebt daar allerlei ideeën over”, zei ik welgemoed. Dat leek van buiten maar zo, van binnen zuchtte ik. Ik ken zo langzamerhand wel de hardnekkig geliefkoosde beeldvorming over dogma’s en de daarbij behorende mannen.
Eigenlijk vind ik het helemaal niks om de gesprekstijd aan zulke onderwerpen te besteden. Het brengt meestal niet veel, maar ik snap ook wel dat frustraties eruit moeten. Het discussiëren om het discussiëren ligt me niet zo, en heeft ook meestal niets met zielzorg te maken.

De beduvelaar, geef hem geen ruimte

Maar als iemand zo zijn best heeft gedaan meer over me te weten te komen, zal ik niet ontsnappen. Tegen mijn gewoonte en verlangen in ging het gesprek dus over dogmatiek en of dat nu wel of geen zin heeft en zou moeten bestaan. Hij legde uit waar zijn weerzin vandaan kwam. Samengevat kwam dat neer op de hete hoofden, koude harten die het gevolg waren van ‘dogma’s’. Ik weet dat hele generaties om die reden hun levens- en geloofsvragen hebben opgegeven, en dat is droevig. Ik moet dan steeds denken aan het hilarische boek van C.S Lewis, The Screwtape Letters. Daarin leert oom beduvelaar zijn jonge neefje de kneepjes van het vak: hoe een goeie beduvelaar de mensen beduvelt. Ik houd van dat woord, want het beschrijft precies de core business, het vak, van de tegenmacht. Ik stel me niet zozeer een persoon met hoorntjes voor, maar zoiets als een kwade macht die er plezier in heeft om alles wat goed, schoon, lieflijk en rechtvaardig is te bederven, mensen in de war te brengen, op te stoken, kortom te beduvelen. Meer wil ik er niet van weten, en niet in de valkuil lopen van de fascinatie voor wat of wie het kwaad is. Ooit leerde ik van Karl Barth: we zullen nu kort iets zeggen over de duvel en zijn werken om daarna weer definitief onze aandacht op Jezus Christus te richten. Lewis legt op inzichtelijke wijze uit hoe oom beduvelaar erin slaagt aandacht te vangen door de dingen net verkeerd te zeggen, zodat je het spoor bijster raakt. Zoiets gebeurt er nu eenmaal vaak onder mensen, en als het over dogmatiek gaat gaan mensen graag enthousiast twijfelend los.

Fatsoenlijk denken over God

Ik legde uit dat iedereen zo zijn ideeën, leerstelligheden heeft over God, mens en wereld, en dat het dus maar beter is om dat zo fatsoenlijk mogelijk te doen, omdat het ook onfatsoenlijk kan. Dat leerde ik weer van mijn man: dogmatiek is niets anders dan fatsoenlijk denken over God, mens en wereld. Onfatsoenlijk kan ook, bijvoorbeeld door te beweren dat als je bidt om genezing en je wordt niet genezen, dat dat dan komt omdat (naar keuze aan te vinken):

  1. je niet (goed) genoeg gelooft
  2. je er onbeleden zonden op na houdt
  3. je voorouders iets fouts hebben gedaan
  4. God je iets wil leren
  5. God in zijn eeuwig raadsbesluit al heeft vastgelegd dat dit moest gebeuren (dat staat dan gelijk aan je lot zeg maar)

Ik weet er zo nog wel een paar, en als ik het boek van Jan Zijlstra bij pak (50 redenen waarom je geen genezing ontvangt) blijken er nog meer op het lijstje voor te komen. Slechte dogmatiek, leerde ik.

Genoeg antwoord om met vragen te blijven zitten

“Valt er überhaupt wel wat te zeggen over God?” stelde mijn gespreksgenoot. In ieder geval was hij erg gecharmeerd van de Celestijnse Belofte, dat was nu een boek waar je Inzichten door kreeg. Ik kon een zucht nauwelijks onderdrukken. Dat boek barst nu letterlijk van de dogmatistische betweterigheden waar je niet door getroost wordt. Troost, dat is nu net het criterium van de Heidelbergse Catechismus, daar begint dat leerboek ook mee. En ja, dat is nu net een van de vooronderstellingen van de Bijbel: God is een God die spreekt, en blijkt vooral te willen laten weten dat Hij een goede God is. Dat wil nooit zeggen dat je Hem in je vingers krijgt, of dat je een antwoord op al je vragen krijgt. Daar zijn andere godsdiensten voor, leerde ik van mijn man. “Christelijk geloof geeft geen antwoord op alle vragen, maar wel genoeg antwoord om het met die vragen uit te houden.”

Toen ik afscheid nam zei meneer: “Dat je toch met een dogmaticus getrouwd wilt zijn.” Ik had het kunnen weten: uitleggen en discussies helpen zelden. Ik begin er niet meer aan. Maar stoppen met fatsoenlijk nadenken over God, mens en wereld? Mijn man en ik, daar stoppen we niet mee. Het troost ons in leven en sterven. Dat laatste moet nog wezen, maar ik verwacht daar wel wat van. Daar heeft de Kerk ook oude papieren voor.

The best has yet to come.

Margriet van der Kooi