11 nov – avonddienst Cantate in de Petrus

Deze zondag verleent het projectkoor haar medewerking. Het koor wordt begeleid door een strijkersensemble onder leiding van Ruth Houtman. Het koororgel wordt bespeeld door Marnix van der Ploeg.

Direct aan het begin van de dienst klinkt NLB 280. Een schitterende tekst van Sytse de Vries op muziek van Willem Vogel. Tip: leest u de tekst thuis al eens rustig door en laat de tekst op u inwerken.

Na dit lied zingt het koor In Te Domine speravi van J. B. Schiedermayer (1779-1840). Het is een motet op enkele verzen (2, 3, 6 en 7) uit psalm 31. Het begint met een fuga waarin de sopranen het motief presenteren, achtereenvolgens overgenomen door alten, tenoren en bassen. Wanneer de sopranen voor de 2e keer het muzikale motief hebben ingezet loopt dat uit op een door het hele koor in een steeds luider wordende uitroep gezongen “non, non, non confundar in aeternum” (laat mij in der eeuwigheid niet beschaamd worden.) Na deze luide roep wordt de tekst én de muziek ingetogener. Het krijgt het karakter van een gebed. De begeleiding is zacht met lange noten. Op een gegeven moment vallen zelfs de 1e en 2e viool enkele maten stil en bestaat de begeleiding slechts uit het orgel, de altviool en de cello. Daarna zetten de sopranen vol overtuiging een nieuw thema op: “in manus Tuas commendo spiritum meum” (in uw handen beveel ik mijn geest.) De andere stemmen nemen dit motief over. Met de bede “Redemisti me Domine” (red mij, Heer) keert een eerder muzikaal motief terug, echter nu een paar tonen lager en in een sneller tempo. Het motet eindigt met een uitbundig “Halleluja” waarbij op de lange noten van het koor de strijkers vrijuit korte noten spelen.

Als canticum zingen we een Magnificat van H. Schütz (1585-1672). Het begint redelijk homofoon (alle stemmen vrijwel hetzelfde ritme met vaak één prominente melodie), maar al gauw krijgt iedere stem zijn eigen melodische lijn met inzetten, soms gelijktijdig met een andere stem of stemmen, maar ook vaak achter elkaar. (Dat maakt het zingen van polyfone muziek vaak zo lastig.) Schütz maakt ook nogal gebruik van maatwisselingen. Op de woorden “er zerstreuet” past hij een uptempo walsritme toe, wat de betekenis van het woord duidelijk onderstreept. Eenzelfde versnelling zien we, ook letterlijk in het notenbeeld met zwarte noten, op de woorden “er stöszet die Gewaltigen vom Stuhl”. Op de woorden “er erhöhet die Niedrigen” ( Hij verhoogt de onaanzienlijken) laat Schütz bij de woordherhaling de muziek steeds hoger klinken; een perfecte muzikale vertaling van de woorden. De lofzang eindigt met een prachtig polyfoon “Amen”.

Ter voorbereiding op de gebeden zingen we het Kyrie uit de 3e mis in D van J. L. Eybler (1765-1846). Het begint met één en dezelfde toon voor strijkers en orgel, gevolgd door een kort motief. Daarna valt het koor a capella in met de woorden “Kyrie eleison”. Dit herhaalt zich een keer. Daarna ontwikkelt de bede zich muzikaal, dan luid, dan weer zacht en ingetogen; veelal homofoon, maar soms als dialoog tussen één of meerdere stemmen. Op tweederde van het “Kyrie” wordt teruggegrepen op het begin met dezelfde motieven in orkest en koor.

Aan het eind van de dienst zingen we Verleih uns Frieden van Mendelssohn (1809-1847), een bij vrijwel iedereen bekend motet. De volledige melodie wordt gepresenteerd door de bassen, later overgenomen door de alten, waarbij de bassen, op een eigen melodische lijn als een soort echo fungeren. Tot slot klinkt het hele koraal nog eens, maar dan gezongen door het hele koor.

Met muziek en tekst van NLB 416 (Ga met God en Hij zal met je zijn) in hoofd en hart gaan we naar huis.

We nodigen u van harte uit deze dienst met ons te vieren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *