Het kleine meisje van de Hoop

`We are in the season of Hope’ zei president Obama een paar jaar geleden in een decembertoespraak. Het NOS-journaal vertaalde laf: `Het loopt tegen de kerstdagen.’

Het bericht werd er ineens onbetekenend en plat door. Ik begreep de keus van de vertaler niet.

Obama bepaalde ons bij de tijd van het jaar, het seizoen van de hoop. Hoop. Dat is wat mensen nodig hebben. De politiek stopt het in programma’s, er worden boeken over geschreven, wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. Het woord hangt in de lucht.  Het lijkt erop dat momenteel vrees en beven meer de stemming in de wereld bepalen dan hoop. Paul de Leeuw vroeg in een uitzending van zijn PuberKookshow aan zijn jonge publiek: ‘Denken jullie dat binnenkort de Derde Wereldoorlog uitbreekt?’ Alle 100 tieners staken het bordje ja omhoog. De Leeuw schrok ervan: ‘Dat vind ik echt erg. Dat mag niet. Jullie moeten hoop hebben, je moet vertrouwen hebben in de toekomst!’ Hij begon er tijdens de uitzending een paar keer weer over. Maar hij vertelde hen niet waarom ze hoop zouden moeten hebben.  Jongeren voelen goed aan dat het optimisme waarmee ze hun angsten  moeten toedekken niet echt geruststelt. Want waarop en waarom zouden we hopen?

In zijn prachtige tekst over de Hoop roept Charles Péguy (1873- 1914) het beeld op van de hoop die als klein meisje tussen haar twee grote zussen loopt, haast verloren tussen hun ruisende rokken. Tussen haar twee grote zussen Geloof en Liefde in lijkt het, of zij zich voortrekken laat. Maar wie goed kijkt, ziet dat het net andersom is; zij is het, die de twee grote zussen voorthelpt. Zij, het kleine meisje ‘Hoop’ geeft richting en moed. `Wat Mij het meest bij de mensen verbaast’ laat Péguy God zeggen `is de hoop. De mensenkinderen, ze zien toch wat er in de wereld allemaal gebeurt. En toch geloven ze dat het morgen beter gaat. Ja, dat is wel het grootste wonder dat Ik gemaakt heb. Ik ben er Zelf ondersteboven van’.

Sinds ik dit beeld van Péguy al wel dertig jaar geleden leerde kennen zie ik haar overal lopen, dat kleine meisje van de hoop, dat ‘met vies water toch haar bronnen van zuiver water maken kan’. Ik houd van dat beeld. Ze ritselt in het uniform van een jonge verpleegkundige, die op een heel vroege zomerochtend een patiënte op onze Palliatieve Unit wakker trof, en haar in een rolstoel naar de andere kant van de afdeling bracht. `Kom, laten we even samen gaan kijken, de zon gaat zo prachtig op vanmorgen’.  `Ik weet helemaal niet of dat meisje gelovig is’ zei mevrouw later op de dag tegen me `ze heeft me heel goed gedaan. Dat ze op het idee kwam! Samen kijken naar een zonsopgang – het herinnerde me aan de trouw van God, die elke dag nieuw is. Ik voel weer hoop’. Deze mevrouw leest haar Bijbeltje. Daardoor ziet ze meer dan alleen een mooie zonsopgang. Jeremia zit op de puinhopen van zijn verwoeste stad, Jeruzalem. De lijken van jonge mannen liggen in de straten, de burgers zijn weggevoerd, de tempel ligt in puin. Hoofdstukken lang klaagt Jeremia tegen God over wat er gebeurd is, hij heeft een Adres om zijn bitterheid tegen te uiten `Ach! Hij slaat mijn volk, hebt ons verlaten – en het is onze eigen schuld, ontstellend diep waren we gezonken, onze vijanden hebben plezier in wat ons overkomt… al roep ik om hulp, Hij wil mijn gebed niet horen …mijn leven heeft alle glans verloren.’ Als Jeremia uitgeput van het huilen zijn ogen uitveegt, kijkt hij op. Het is ochtend geworden. De zon komt op. Dan zegt hij die woorden uit het boek Klaagliederen:

Telkens als ik mijn lot overdenk ben ik diep terneergeslagen

Toch geef ik de hoop niet op, want hieraan houd ik vast:

Genadig is de Heer, wij zijn nog in leven! Zijn ontferming kent geen grenzen.

Elke morgen schenkt Hij nieuwe weldaden.- veelvuldig blijkt uw  trouw!

Ik besef: mijn enig bezit is de Heer, al mijn hoop is op Hem gevestigd.

Goed is de Heer voor wie Hem zoekt en alles van Hem verwacht.

Hij vat moed en hoop: God is trouw.

Het geloof is de zekerheid dat de dingen die we verwachten, ook werkelijkheid zullen worden. Het is het bewijs van de dingen die wij nog niet zien, zegt de Hebreeënbrief ons voor.  Het zijn de inleidende woorden op de beroemde passage over al die gelovigen zoals Abraham die de Stad verwachtten waarvan God de kunstenaar is. Abraham had het soort hoop dat met geloof in deze God te maken had, hoop dat het goed komt met deze wereld.

Op de dag na de Amerikaanse verkiezingsuitslag ontving ik een wanhopige mail van een vriend. `Waar gaat het met ons land heen, met de wereld, wat een verkwanseling van waarden, hoe kan ik leven met mensen die zover staan van wat ik onder christelijk leven versta,’ verzuchtte hij.  Ik voelde de zorg om de toekomst ook. Ik keek veel tv  die dag. En daar was ze ineens, het kleine meisje van de hoop, in de gestalte van een zwarte man. Hij zei verbindende woorden, riep op tot samenwerking en meedoen. En toen zei hij met een glimlach: de zon is weer opgekomen. Ik weet niet of hij het met opzet zei, hij heeft dat wel in huis. Hoe ook: hij herinnert mij aan de oude woorden van hoop die Jeremia lang geleden al voorgoed verbonden heeft aan het opgaan van de zon, teken van Gods trouw. En ja: we zijn weer in de `season of Hope’. Advent.

ds. Margriet van der Kooi